In het werk van Wil Friesen staat het landschap centraal. Niet als registratie van wat zichtbaar is, maar als poging om iets op te roepen dat daarachter ligt. Zijn beelden ontstaan in zijn directe omgeving, maar voelen zelden concreet of vast te grijpen. Soms overheerst de schoonheid van het landschap, soms een gevoel van melancholie. Alsof er meer aanwezig is dan je kunt zien.
Friesen werkt met analoge fotografie, maar beschouwt zichzelf niet als fotograaf. De camera is voor hem een middel, geen doel. Net zoals een schilder verf gebruikt, gebruikt hij fotografische technieken om zijn beelden op te bouwen. Zijn werk kenmerkt zich door wat hij zelf ‘beeldversterkende onvolkomenheden’ noemt. Korrel, vervaging en gelaagdheid zorgen ervoor dat de beelden niet alles prijsgeven, maar juist iets verhullen.
Het landschap blijft ongrijpbaar.
Wat zichtbaar is, is slechts een vermoeden van wat erachter schuilgaat.